Oplichterssyndroom

40

Soms krijgen we de indruk dat we ons niet op de juiste plaats bevinden. Dat we de verantwoordelijkheden die we hebben gekregen niet echt verdienen. Dat onze collega’s beter of competenter zijn. Dat we het toevallig in de schoot geworpen krijgen.

Die indrukken zijn eigen aan het oplichterssyndroom. Het kan opduiken in onze persoonlijke relaties (ik ben het niet waard om familie of de vriend van hem of haar te zijn) en komt ook vaak voor op het werk. Iedereen kan ermee te maken krijgen, maar sommige mensen meer dan anderen.

Het goede nieuws is dat het niet voor altijd hoeft te zijn. Veel leesplezier! 

Nieuwsbrieven

  • Wat gaat er schuil achter het oplichterssyndroom?

    Het gebeurt wel vaker dat iemand tijdens zijn carrière van functie verandert. De laatste twintig jaar gebeurt dat trouwens almaar frequenter. Soms vallen de veranderingen moeilijk te verteren. We voelen ons een oplichter in onze nieuwe functie. Waar komt dat gevoel vandaan? Wie krijgt ermee te maken? Kunnen we er wat aan doen? Hoe? Al die vragen probeert deze newsletter te beantwoorden.

    In 1978 schreven psychologen Pauline Rose Clance en Suzanne Aimes een artikel gebaseerd op ervaringen. Ze gebruikten voor de allereerste keer de term ‘Oplichterssyndroom’. Concreet definieerden ze het syndroom als “een ziekelijke vorm van twijfel die erin bestaat om het eigen aandeel in persoonlijke verwezenlijkingen af te wijzen.” Met andere woorden, de betrokkenen verwerpen min of meer systematisch hun eigen verdiensten en schrijven hun succes toe aan factoren buiten zichzelf, zoals geluk, hard werken, persoonlijke relaties, bijzondere omstandigheden, het goede werk van collega’s, … Naar schatting 60 tot 70% van de werkenden zou vroeg of laat in zijn carrière twijfelen of zijn successen wel echt en verdiend zijn. Hoge percentages. 


    Hoe komt dat?

    Waarom hebben zo veel mensen soms de indruk dat ze het niet verdienen of dat ze andermans plaats innemen? Dat heeft meerdere oorzaken. Sommige daarvan zijn persoonlijk, andere systemisch. De belangrijkste is het keurslijf waarin onze maatschappij ons van in onze kindertijd dwingt. De maatschappij waarin we leven is immers gebaseerd op verdiensten en prestaties. Van kinds af aan worden we beoordeeld in rapporten, horen we verhalen over scholen (goede, minder goede en slechte) en studierichtingen (goede, minder goede en slechte). We moeten goede punten behalen om later te gaan studeren. Na de middelbare school vragen veel mensen zich trouwens af: “Wat ga ik studeren? En waar?” Er heerst grote concurrentie om zich in te schrijven in prestigieuze scholen of universiteiten waar studenten al bij de start te horen krijgen dat “slechts een minderheid zal slagen”. Onze entourage ‘oordeelt’ over de keuzes die we maken of de studies die we aanvatten en die de sleutel tot verdere specialisatie vormen. Ingenieurs, artsen of advocaten genieten in het collectieve onderbewustzijn ook in 2019 nog altijd meer prestige dan slagers, obers of loodgieters, zelfs al is de slager in kwestie tienmaal zo goed in zijn vak als de advocaat in het zijne. Kortom, het komt erop aan diploma’s te hebben en expertise op te bouwen. In het beroepsleven gaat het er vaak net zo aan toe en vaak krijgen we bij de start van onze carrière onbewust ingelepeld dat we nog geen ‘waarde’ hebben. Het oplichterssyndroom moet in het licht van die manier van werken worden gezien. 


    Hoe komt het tot uiting?

    Het gevoel dat we onze plaats niet verdienen, kan ons op meerdere manieren overvallen. Het kan in kleinere of grotere mate aanwezig zijn naargelang van iemands persoonlijkheid en karakter. Velen onder ons hebben al ooit te horen gekregen dat ze hun baan hebben gekregen “omdat de recruiter sympathiek was”, “omdat we geluk hebben”, “omdat de omstandigheden gunstig waren” of omdat de concurrentie “niet echt goed was”. Waaruit blijkt dat iemand al dan niet aan het syndroom lijdt? Eerst en vooral is er de angst voor ontmaskering. In het hoofd van iemand die vindt dat hij zijn plek niet verdient, spreekt het voor zich dat zijn collega’s of baas vroeg of laat ontdekken dat hij incompetent is. Dan is er de buitensporige druk die hij zichzelf oplegt. Journaliste Hélène Musca vat het als volgt samen: “Het gevaar van het syndroom is dat mensen zichzelf volkomen onrealistische en onbereikbare normen opleggen, die zelfs voor de kleinste vergissing geen ruimte laten. Door de spreidstand tussen hun utopische doelen en de chaotische realiteit staan ze voortdurend onder stress.” Zelfverachting is nog een typische eigenschap. Wie zichzelf als oplichter ziet, gaat anderen, zonder het zelf te beseffen, er voortdurend op wijzen dat hij het niet waard is. Hij gaat zeggen “dat hij er niets van kan”, dat “het niet zijn favoriete vakgebied is” of dat hij “nog jong of onervaren” is. Geen zelfvertrouwen hebben en geloven dat iedereen zijn werk kan doen is ook een symptoom. Geen compliment kunnen aanvaarden is tot slot ook een veel voorkomende eigenschap.


    Verschil tussen mannen en vrouwen?

    Krijgen mannen en vrouwen in dezelfde mate te maken met het oplichterssyndroom? Volgens een studie van de American Physiological Society uit 2018 schatten vrouwen hun competenties bij een gelijk opleidingsniveau veel lager in dan die van mannen. De studie heeft bovendien aangetoond dat studenten die zakken voor een test, dat veelal toeschrijven aan de moeilijkheid van de test of de strenge correctie, terwijl studentes aan hun intelligentie twijfelen. Dat neemt niet weg dat vrouwen die aan het syndroom lijden, er beter mee omgaan. Onderzoek van Duitse en Amerikaanse wetenschapslui suggereert dat de prestaties van mannen die het gevoel hebben een oplichter te zijn, onder druk sterker afnemen dan die van vrouwen. Ook kinderen kunnen aan het oplichterssyndroom lijden. 

     

    Wat kunnen we eraan doen?

    De eerste stap is, net zoals bij een verslaving, erkennen dat er iets misgaat. Er moet dus afstand genomen worden om het syndroom beter te bestrijden en te werken aan de eigenwaarde, die van essentieel belang is voor de professionele en persoonlijke ontplooiing. De tweede stap is zich niet meer laten meeslepen door de inwendige stemmen die in elk van ons zitten. Sociologe Béatrice Barbusse die het boek Du sexisme dans le sport heeft geschreven, legt bijvoorbeeld uit dat ze vaak aan haar kunnen twijfelde toen ze een verantwoordelijke functie in de professionele mannensport kreeg. Telkens als het stemmetje haar zei dat ze op de verkeerde plek zat, herlas ze haar cv dat precies het tegendeel bewees. Een derde stap is leren genieten van zijn successen. Zichzelf toestaan om tekenen van succes zoals boodschappen, e-mails, commentaren op LinkedIn of gewoon medailles of beloningen te bewaren, komt neer op toegeven dat, als zo veel mensen ons complimenteren, we vermoedelijk … op de juiste plaats zitten. 🙂

     

    Lijdt u aan het oplichterssyndroom? Doe de test!

Inspiratie

  • Speelt onze origine een rol?

    Studies over het oplichtersverschijnsel hebben aangetoond dat de gemengde identiteit van vrouwelijke kleurlingen aan de universiteit invloed heeft op de identiteitsontwikkeling en het bereiken van doelen.

    Met andere woorden: vrouwen uit minderheden hebben nog meer het gevoel dat ze wat fout doen als ze een verantwoordelijke functie opnemen. Sommigen hebben ook het gevoel dat hun dubbele identiteit (vrouw en uit een minderheidsgroep) ertoe leidt dat anderen hen met een bepaalde blik bekijken. Een zwarte vrouw met een diploma hoger onderwijs kan bijvoorbeeld vrezen dat ze als agressief of woedend wordt gestereotypeerd als ze in de klas een tegengestelde mening uit.

     

    Bron

     

  • “Hij zit niet op zijn plaats”: Het Peterprincipe

    Het oplichterssyndroom moet dan wel bestreden worden, maar dat betekent niet dat iedereen altijd op de juiste plek zit. Om allerlei slechte redenen geven ondernemingen, net zoals de openbare sector, niet altijd promotie aan de juiste personen.

    Erger nog, de Canadese pedagogen Laurence J. Peter en Raymond Hull omschrijven in hun werk The Peter Principle uit 1970 hoe elke werknemer in een hiërarchie geneigd is promotie te maken tot zijn niveau van onbekwaamheid, met als gevolg dat op den duur “alle functies ingevuld worden door een werknemer die de verantwoordelijkheid ervan niet aankan.” Dat is het beruchte Peterprincipe.


    En dat is nog niet alles:  

    Volgens onderzoekers van de Universiteit Gent, getuigden ondervraagde kaderleden die aan het oplichterssyndroom schenen te lijden, in grote mate van neurose en een laag plichtsbesef. De hele studie is beschikbaar hier.

     

    Meer informatie over het Peterprincipe: https://en.wikipedia.org/wiki/Peter_principle

Wist je dat?